De diepte van contemplatie ontdekken

De diepte van contemplatie ontdekken

15 november 2019 Uit Door Redactie

Waar komt contemplatie vandaan, hoe komt dit op uit de geschiedenis? Contemplatie is niet iets waar alleen wij postmoderne mensen behoefte aan hebben. Contemplatie is diep verbonden met de Vroege Kerk, met de woorden van Jezus en met het verlangen van de mens naar God door de eeuwen heen.

En dat universele, diep menselijke verlangen, raakt mij keer op keer. Steeds meer ontdek ik, ik kan niet zonder, zonder stilte, zonder naar binnen keren, zonder van binnen naar buiten te kijken en te zien, te kijken. Tot ik ontdek er is zoveel meer te ontdekken in stilte, zoveel meer te zien in het zien en niet-zien. Altijd onvolkomen.

In deze vijfde blogpost van een serie die ik samen met Jos Douma schrijf over het boek ‘Contemplative Church. How Meditative Prayer & Monastic Practices Help Congregations Flourish’ zoomen we in op hoofdstuk 4 van dat boek waarin Peter Traben Haas ingaat op de geschiedenis van contemplatieve traditie.

De contemplatieve traditie

In de geschiedenis van de contemplatieve traditie komen veel namen naar boven: Hildegard von Bingen, Hadewijch, Marguerite Porete en Mechtild von Magdeburg zijn belangrijke vrouwen in de contemplatieve traditie. Haas gaat in op contemplatie vanuit de Vroege Kerk tot de Reformatie en beperkt zich hierbij tot 7 namen. Origenes (184-254), door Haas de vader van de mystieke theologie genoemd, benadrukt het ‘zien’ dat het zichtbare zien overstijgt, een innerlijke manier van zien en ervaren wat leidt tot een woordeloos gebed. Contemplatie is zo de uitnodiging aan de ziel om dieper in de ervaring van de verbinding met het heilige te komen.

Contemplatief gebed

Contemplatief gebed is uiteindelijk een beeld loos, woordeloos intuïtief gebed, waarbij we niet eens meer weten dat we aan het bidden zijn. (Evagrius Ponticus 346-399). Vergelijk dit met slapen, op het moment dat je slaapt, weet je niet dat je slaapt. Tegelijk is echt stil worden voor ons zo moeilijk schrijft Cassianus (360-435). Onze gedachten zijn altijd in beweging, en op de tijd dat ze samenkomen, worden ze weer alle kanten opgetrokken.  Het gebed uit Psalm 70 God, breng mij uitkomst, HEER, kom mij haastig te hulp ‘, is daarom het gebed wat Cassianus voorstelt om op elke adem te bidden, om zo te blijven bidden zonder ophouden. Het Jezus gebed is een ander contemplatief gebed: Jezus Christus, Zoon van God heb genade met mij. Als dan de gedachten en woorden stoppen is er contemplatie. Alleen zijn bij God in onuitsprekelijke onverzadigbare vreugde waarbij woorden overbodig zijn. Augustinus (354-430) legt de nadruk op contemplatie als vrucht van een leven waarin God gezocht wordt. Gregorius de Grote (549-604) geeft aan dat de mens ten diepste contemplatief geschapen is en dat tegelijk de mens God niet kan zien, maar wel zijn aanwezigheid kan ervaren.

Het ware zien en de ware kennis van wat we zoeken bestaat precies in het niet zien, in het bewustzijn dat ons doel alle kennis overstijgt en overal van ons afgesneden wordt door het donker van ons onbegrijpen. Dus… Johannes, die diep ingegaan is in deze lichtgevende duisternis, vertelt ons dat niemand God ooit gezien heeft; leert ons door ontkenning dat niemand, in ieder geval geen geschapen intellect – het kennen van God kan bevatten.  

Gregorius de Grote (90)

In de loop van de tijd zien we contemplatie verder ontwikkelen, andere accenten krijgen, soms tot in detail uitgewerkt, een andere keer volledig open gelaten worden. Eckhart en de Rijnlandse mystici gaan verder op de gedachten van Gregorius en dit legt een verdere basis voor Centrum Gebed waar het volgende hoofdstuk over gaat.

Mystiek

Mystiek is een woord wat veel reacties oproept en is tegelijk het hart van het christendom. Karl Rahner zet dit op scherp ‘De christen van de toekomst is een mysticus of hij of zijn zal niet bestaan’. Hij raakt daarbij aan Johannes 17: 20-24: ‘Ik in hen en U in mij’. Dit is ongrijpbaar, niet te bevatten, een mysterie. Haas legt uitgebreid uit hoe het hart van mystiek te verstaan is: ‘de radicale overgave van het zelf aan de liefhebbende omarming van de ander die de bron is van alle leven, de Ene aan wie we ons bestaan te danken hebben. David B. Perrin. Lees het nog maar eens. Opnieuw: we kunnen er woorden aan geven, maar deze woorden laten tegelijk onze beperktheid zien. Vanuit het onzegbare en onkenbare van mystieke ervaringen duiken ook licht en donker op in mystiek. Waar gaat licht over in donker en andersom? Barbara Brown Taylor schrijft hier over in Learning to walk in the dark. Pas als het echt donker is, is de stilte te horen.

Boeiend is om in dit Amerikaanse boek over ook over ‘onze’ Rijnlandse en Vlaamse mystici als Ruusbroec te lezen. Wat doen wij met ‘onze’ bronnen in de kerk?  Zou het niet mooi zijn deze bronnen weer op te delven in het licht te brengen?